In de praktijk

Koe en Eiwit: gemiddelde RE-gehalte was vorig jaar 158 g/kg ds

Het gemiddelde RE-gehalte van de projectboeren van Koe en Eiwit is in 2022 uitgekomen op 158 gram per kg drogestof. Dat is een daling van 3,6 (afgerond 4) gram in een jaar tijd. Dat staat in de tussentijdse rapportage 2022-2023 van Koe en Eiwit. De deelnemers streven naar een verlaging van het RE-gehalte tot 155 gram per kg drogestof.

Met de praktijkpilot Koe en Eiwit wordt gekeken hoe het optimaliseren van het melkveevoerrantsoen wat betreft de eiwitvoorziening kan bijdragen aan vermindering van de stikstofemissie vanuit de melkveesector. De sector en de overheid hebben afgesproken om te streven naar een RE-gehalte van niet hoger dan 160 gr RE/kg drogestof in 2025. Deze verlaging wordt door alle partijen als goed haalbaar gezien zonder dat het nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en/of het welzijn van de dieren en voor de melkproductie

Van de 153 melkveehouders binnen Koe en Eiwit heeft 23 procent het doel van 155RE al meerdere jaren gehaald; 73 procent heeft vertrouwen in de haalbaarheid van 155RE. Bij het verlagen van het RE-gehalte werken de melkveehouders samen met hun vaste voeradviseur en een individuele begeleider.

Diergezondheid

Binnen het project Koe en Eiwit is er speciale aandacht voor het verlagen van het RE-gehalte op de diergezondheid. Daarom monitoren twintig deelnemers onder begeleiding van vijf dierenartsen gedurende twee jaar de gezondheid van hun melkgevende koeien, droogstaande koeien, kalveren en jongvee. Naar verwachting zijn pas na afloop van de monitorperiode conclusies te trekken over een mogelijk effect van verlagen van het ruweiwitgehalte op de diergezondheid.

Meer veevoerpilots

Het is nog niet duidelijk of een verdere verlaging van het RE-gehalte na 2025 realistisch is, schrijft minister Adema in een brief aan de Tweede Kamer. Daarom worden er ook veevoerpilots gestart met gangbare en biologische melkveehouders die laten zien in hoeverre het mogelijk is om kosteneffectieve maatregelen te nemen die het RE-gehalte nog verder verlagen dan het afgesproken streefdoel, en die de bedrijfsresultaten, waar mogelijk, positief beïnvloeden, die inpasbaar zijn in de bedrijfsvoering en die geen negatief effect hebben op diergezondheid, dierenwelzijn, klimaat en bodem, aldus Adema.