Op 12 februari promoveert Iaira Boissevain aan de Universiteit Utrecht op haar onderzoek naar het veterinair tuchtrecht. Volgens haar kan dat systeem veel doeltreffender – in het belang van dieren, eigenaren én dierenartsen.
Boissevain is advocaat en docent veterinair recht aan de faculteit Diergeneeskunde. Voor haar promotie bestudeerde zij honderden tuchtzaken en liet zij ruim 900 dierenartsen (ongeveer 20% van de beroepsgroep) een vragenlijst invullen. Bijna 70% van de klachten blijkt ongegrond. Bovendien gaan veel zaken niet zozeer over medisch handelen, maar over communicatie. Toch volgen vaak langdurige procedures met grote impact op alle betrokkenen.
Het Nederlandse veterinair tuchtrecht bestaat al meer dan dertig jaar en is bedoeld om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en te verbeteren. Hoewel het systeem in theorie een lerend karakter heeft, ervaren veel dierenartsen het anders. Een tuchtprocedure – of de dreiging daarvan – veroorzaakt geregeld stress, ziekteverzuim en zelfs burn-out. Dertien procent van de ondervraagden zegt defensiever te werken uit angst voor klachten. Volgens Boissevain belemmert die druk het leervermogen, terwijl de laagdrempeligheid van klachten de ernst soms juist relativeert. Beide effecten ondermijnen het doel van het tuchtrecht.
Op basis van vergelijkingen met België, het Verenigd Koninkrijk en andere vrije beroepen pleit zij voor hervormingen. Sancties zouden het sluitstuk moeten zijn, niet het vertrekpunt. Zij stelt onder meer voor: duidelijkere beroepsnormen, een inhoudelijke voorselectie van klachten door een onafhankelijke voorzitter, invoering van griffierecht om lichtvaardige klachten te beperken, kortere procedures en meer ruimte voor mediation.
Haar onderzoek sluit aan bij recente maatschappelijke discussies, zoals het voorstel van de Autoriteit Consument & Markt om een geschillencommissie in te stellen voor kleinere klachten in de diergeneeskundige zorg. Volgens Boissevain is aanpassing van het systeem nodig, zodat het recht doet aan zowel dieren als dierenartsen – omdat zij dat waard zijn.
Bron: Universiteit Utrecht







